Geschiedenis van Altena
January 21, 2018
0

Het Land van Altena is een historische landstreek en voormalige heerlijkheid in het noorden van Noord-Brabant. Het gebied wordt in het noorden begrensd door de Afgedamde Maas en de Boven-Merwede, in het westen door de Biesbosch en in het zuiden door de Bergsche Maas en in het zuidoosten door het Land van Heusden.

De Graven van Kleef, dit ligt helemaal in Duitsland, waren de leenheer van de heren van Altena. De heren van Altena waren waarschijnlijk eerst gewone grootgrondbezitters die namens de graaf van Kleef dit gebied mochten besturen. Waarschijnlijk waren het de heren van Uitwijk die aan de basis staan van het geslacht Altena. Omdat Kleef ver weg lag gedroegen de heren van Altena zich alsof zij de baas waren. Ook het Land van Heusden viel onder de graven van Kleef en ook hier gedroegen de heren zich alsof zij niets met Kleef te maken hadden.

Het graafschap Holland lag aan het Land van Altena en de graaf van Holland wilde graag meer te vertellen krijgen in dit gebied. In 1230 droeg Dirk van Altena zijn slot Altena, dit lag in Almkerk, en de Woudrichemmerwaard over aan de graaf van Holland. Vervolgens kreeg hij het in leen terug. Nu hadden de heren van Altena twee leenheren. De heren van Altena bewoonden een kasteel. Dit kasteel stond in Almkerk en bestaat niet meer, maar de heuvel waar het kasteel stond is nog goed te zien aan de rand van de Alm bij Almkerk. De naam van de familie van Altena is in de 14e eeuw de naam geworden voor het hele gebied. Hiervoor noemde ze het de Woudrichemmerwaard.

In 1332 wist de graaf van Holland alle rechten op het Land van Altena te kopen van de graaf van Kleef. Nu is de heer van Altena alleen nog leen verschuldigd aan de graaf van Holland. De familienaam van de heer van Altena was intussen Van Horne geworden, omdat de familie van Altena was uitgestorven. Omdat Woudrichem groeit in de 10e eeuw ontstaan er straten in de nederzetting. Waarschijnlijk werd de plaats beschermd door een houten palissade en mogelijk een gracht. Omdat Woudrichem een vrij gebied is tussen de hertogdommen Brabant en Gelderland en het graafschap Holland gaat economisch erg goed in Woudrichem. Het plaatsje groeit uit tot de hoofdstad van het gebied. Er worden diverse producten verhandeld in Woudrichem. In 1356 verplaatst de graaf van Holland de grenstol “Niemandsvriend” van Sliedrecht naar Woudrichem. Dit levert de stad veel inkomsten op. In 1356 overlijdt Willem van Horne, heer van Altena. Zijn zoon was nog erg jong en werd door zijn oom, Dirc Loef, aan de kant geschoven. Dirc Loef van Horne werd de nieuwe heer van Altena. Hij liet tegenover Woudrichem een kasteel bouwen. Dit werd slot Loevestein. De graaf van Holland was niet tevreden over Dirc, omdat die zijn verplichtingen niet na kwam. In 1368 werd Dirc vervallen verklaard van zijn leen. Willem VI van Horne werd de nieuwe heer van Altena. In 1386 geeft hij opdracht voor de bouw van de stadsmuren om Woudrichem. Ook Willem VI beviel niet en de graaf van Holland gaf het Land van Altena toen aan zijn zoon Willem van Oostervant. Dit was een grote fout, want in 1392 was Willem betrokken bij een samenzwering tegen zijn vader, Albrecht van Beieren. De samenzwering mislukte en Willem vluchtte naar zijn kasteel bij Almkerk en vandaar naar het zuiden. Zijn vader belegerde in 1393 de burcht en maakte die met de grond gelijk.

In 1394 sluiten vader en zoon weer vrede. In 1404 werd Willem zelf graaf van Holland en krijgt hij te maken met een oorlog tussen Holland en de familie van Arkel uit Gorinchem. Dit heeft voor Woudrichem fatale gevolgen. Als Willem dreigt om krijgsgevangenen te radbraken, steken Arkelsen vanuit Gorinchem over naar Woudrichem en branden de stad plat.

Wat nog erger voor Woudrichem was, dat de in 1420 de tol van Woudrichem naar Gorinchem werd verplaatst. De stad was door de Hollanders in 1412 veroverd op de familie van Arkel.

Dit alles past in een onrustige periode op het einde van de Middeleeuwen in ons land. Allerlei adellijke families en steden voerden met elkaar oorlog. We noemen deze periode de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Omdat de ene groep de Hoeken werd genoemd en de andere groep de Kabeljauwen. In deze periode speelt een jonge gravin een grote rol. Zij heette Jacoba van Beieren en haar naam is nog steeds verbonden met Woudrichem. In 1419 komen de belangrijkste edelen met hun gevolg naar Woudrichem om te praten over de problemen van Jacoba met haar oom Jan. Jacoba was de dochter van graaf Willem VI. In 1417 was Jacoba haar vader opgevolgd als gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen. Het was voor haar als vrouw erg moeilijk om gravin te blijven. Alleen een sterke en machtige echtgenoot zou haar kunnen helpen. Toen de Duitse keizer Jacoba’s oom Jan van Beieren als opvolger van Willem VI aanwees, laaiden de Hoekse en Kabeljauwse twisten weer op. Daarom werd in Woudrichem over de vrede onderhandeld. Deze vrede noemen we de ‘zoen van Woudrichem’.

Deze vrede maakte geen einde aan de ruzie tussen Jacoba en haar oom. Jacoba vertrekt naar Engeland om daar steun te vinden voor haar strijd. Ze trouwt met de broer van de Engelse koning, maar hij doet weinig voor Jacoba. Inmiddels was ome Jan overleden en was Jacoba’s neef Philips van Bourgondië zijn erfgenaam. Hij neemt Jacoba gevangen en sluit haar op in Gent. In 1425 weet Jacoba te ontsnappen en via Woudrichem vlucht ze naar Gouda. In 1428 sluit ze vrede met haar neef Philips. Zij moet haar macht afstaan aan Philips en hiermee komt een einde aan een langslepend conflict.

Leave a Reply